Studie toont aan hoe vaak COVID-19 verspreid wordt in huishoudens<strong></strong>

Een studie uit augustus 2021 die geplaatst is in het tijdschrift Clinical Infectious Diseases laat zien hoe snel COVID-19 zich door een huishouden kan verspreiden. De observationele studie, uitgevoerd tussen april en oktober 2020, volgde 100 COVID-positieve patiënten in de omgeving van Raleigh, North Carolina. Daarnaast deden ook nog eens 208 huisgenoten mee. Een huisgenoot werd door de onderzoekers gezien als een lid van het huishouden die dus in dezelfde woonruimte verbleef als iemand die positief had getest op het coronavirus. 

De andere gezinsleden die niet positief getest waren op COVID-19 werden door de onderzoekers wekelijks getest met PCR-testen. Dit werd gedaan gedurende drie weken na het eerste corona-geval, al werd in sommige gevallen ook gebruik gemaakt van een seroconversie-antilichaamtest. Dit werd dan afgenomen in de vierde week. Exclusief 73 leden van het huishouden die al positief testten op COVID toen onderzoekers bij hen thuis kwamen, was het secundaire aanvalspercentage onder huishoudelijke contacten 32 procent. Ook in huurwoningen in s-Hertogenbosch kan dit bijvoorbeeld het geval zijn, al is dit niet onderzocht door dit onderzoeksteam. 

Echter denken de onderzoekers dat dit aantal veel hoger is, zo schreef senior auteur van de studie en assistent-professor in de afdeling Infectieziekten aan de Universiteit van North Carolina aan de Chapel Hill School of Medicine Jessica Lin in het tijdschrift: “Soms kwamen we bij huishoudens om mensen te testen vier of vijf dagen nadat de eerste COVID-positieve persoon symptomen vertoonde. Tegen die tijd waren al veel leden van het huishouden besmet. Maar omdat die infectie plaatsvond voordat we daar aankwamen, konden we het niet opnemen in onze gegevens.” Daarnaast werd de studie uitgevoerd toen de Delta- en Omicron-variant nog niet gecreëerd waren. Het huidige scecundaire aanvalspercentage in huishoudens, is hierdoor volgens de onderzoekers waarschijnlijk een stuk hoger. 

Het onderzoeksteam ontdekte dat de meeste secundaire gevallen zich voordeden binnen de eerste week van de eerste positieve COVID-test. De secundaire gevallen deelden een vergelijkbare nasofaryngeale virale lading, de hoeveelheid virus die een persoon in neus en keel heeft. Volgens Jessica Lin betekent dit dan de virale lading van de indexzaak er toe doet: “Een hogere virale belasting betekent dat de kans groter is dat er secundaire overdracht in een huishouden plaatsvindt, en de virale belasting is ook een indicatie van hoe ziek een persoon van het virus kan worden.”

In het onderzoek werd bovendien gekeken naar de woondichtheid, wat de concentratie van mensen is die één huishouden wonen. Hieruit bleek dat minderheidshuishoudens meer kans hadden op een hogere woondichtheid, waardoor ze direct ook een hoger risico op secundaire infectie dan witte huishoudens. “Het is in sommige woonsituaties lastig om de richtlijnen voor de volksgezondheid te volgen”, legt Lin uit. “Als je meerdere mensen en generaties hebt die gemeenschappelijke ruimtes of slaapkamers delen, of als je een alleenstaande ouder bent, wordt het bijna onmogelijk om te isoleren of zelfs fysieke afstand te houden.”

Het team dat deze studie uitvoerde, bestond overigens uit vijf leden van de UNC Gillings School of Global Public Health: Kimberly Powers, universitair hoofddocent, en Rebecca Rubinstein, doctoraalstudent, beide in de afdeling Epidemiologie, en Feng-Chang Lin, universitair hoofddocent, Katie Mollan, biostatisticus en doctoraalstudent, en Haoming Zhang, recent afgestudeerd. Ze zijn bij de school allemaal actief bij de afdeling Biostatistiek. 

Laat hieronder uw mening weten

Corona-teller.nl heeft geen verstandhouding met overheidsinstanties als GGD, RIVM of andere teststraten genoemd in artikelen en links. Dit is een ongebonden website met een eigen redactie